zondag 4 oktober 2015

Kemels




Vrouwlief, de klemtoon op de laatste lettergreep, is weer thuis. Was ik vergeten te vermelden dat ze weer eens weg was? ‘t Zou kunnen want ze zit tegenwoordig meer in de grote Egyptische zandbak dan thuis.
Ze is dus terug, alle bagage is intact en ze heeft geen gebroken armen of benen.

Dan kwam de grote verrassing, ze had een cadeautje meegebracht, voor mij zogezegd...
Kameel !
Om juist te zijn, dromedaris...

Geen klein kemeltje om in de woonkamer te laten ronddrentelen als speelkameraadje.. Nee ‘t was kameel, in “schellekes” gesneden, verpakt in een piepschuimen doosje dat omwikkeld was met veel plastic folie.

Wij hebben dit vlees ginder, in Egypte, ook geproefd en ’t is lekker, was haar korte commentaar. De verkoper heeft gezegd dat je het gemakkelijk in de diepvriezer kunt bewaren... Da’s goed tegen dat, ... en toen volgde een hele lijst met eventuele gasten die op bezoek zouden kunnen komen, ... om als aperitiefhapje of als voorgerechtje op te dienen.
Op bezoek komen bij ons betekent doorgaans: allemaal mee-eten...! En als ik braaf was mocht ik ook wel eens proeven.
Het cadeau veranderde snel in een pakje diepgevroren kameel.

Hetgeen er in de diepvriezer belandde, was in feite geconserveerd, gezouten en gedroogd vlees van dromedaris.
Het zag er een beetje uit als gerookt vlees, maar het verspreide een speciale geur. De smaak was zacht. Het deed denken aan pastrami of ook aan “biltong” voor degenen die dat kennen.
Biltong is een soort sterk gedroogd vlees, een Zuid-Afrikaanse specialiteit

Wil je het zelf misschien eens serveren? Vang dan eerst een kameel of schiet een kemel...
Hoe het vlees verder verwerkt wordt weet ik ook niet. Waarschijnlijk werd het lichtjes gezouten, maar het smaakte niet erg zout en werd behandeld met allerlei kruiden, vooral gedroogde koriander. Vlees drogen in de woestijn zal wel geen groot probleem opleveren vermoed ik zo.

Ik heb het gewoon opgediend met een klein gemengd slaatje met wat blokjes tomaten en een vinaigretje. Een sneetje stokbrood er bij. Meer moet dat niet zijn.
Liefst geen wijn, dat mag niet van Allah!

Kameel




Ook dit verhaaltje is een voorval uit de periode dat we in Algerije woonden. In een vorig verhaaltje, hier te lezen, heb ik verteld over Jean-Marie en Edgard, en over hun belevenissen met een konijn.
Op een avond zouden ze beide op visite komen, om een hapje te eten.
De dag voordien waren we, mijn vrouw en ik, naar de markt geweest in Biskra, Algerije. Zoek maar even op de wereldkaart. Biskra ligt aan de noordelijke rand van de Sahara.
We kwamen een ietsje te laat, de markt was zo goed als afgelopen maar toch nog eens snel gaan kijken of er iets te vinden was. Er was nog een kraam open waar vlees verkocht werd en de  handelaar had nog één kamelenschouder.
Dat zou dan de hoofdschotel worden voor de bezoekers van morgen! Gelukkig heeft de verkoper het gewicht van de vliegen die op het vlees zaten niet mee gerekend.

’s Anderendaags om twee uur ’s namiddags begon er een alarmbelletje te rinkelen, het bezoek zou om acht uur komen en hoelang zou dit soort vlees wel moeten stoven om gaar te worden ???
Dus het veilige voor het onveilige gekozen en het vlees maar opgezet. Gewoon, zoals men Vlaamse stoofkarbonaden maakt maar met Frans bier; dat bestond daar toen…(‘ 33 )
Na een drietal uren even gaan controleren op de graad van zachtheid, maar het vlees was nog beenhard.
Uiteindelijk rond acht uur, dus zes uur later was het vlees aanvaardbaar mals, maar het mocht zeker nog een uurtje langer op het vuur gestaan hebben.

De jongens hebben er toch smakelijk van gegeten, ook zij vonden dat het “stoofvlees” wel een ietsje malser mocht geweest zijn, maar in het buitenland mag men niet te kritisch zijn, niet waar ? De kwaliteit van vlees is niet overal ter wereld gelijk.

Toen was er één van de twee die waarschijnlijk onraad begon te ruiken en vroeg welk soort vlees ze nu gegeten hadden ?

’t Was geen probleem, een goede gastronoom kan alles appreciëren, zeker in het buitenland!

Keiensoep




Vroeger bestond er zoiets als de vastentijd. Tijdens het jaar mocht er op vrijdag nooit geen vlees gegeten worden. Daardoor is ook nu nog ; "vrijdag visdag". Er was ook een echte "vastentijd', een periode van veertig dagen en dan  mocht er ook op woensdagen geen vlees gegeten worden.

Toen ik nog in de hotelschool zat, werd er op een vastendag een soep opgediend waarin “blanke fond “ (vleesbouillon) verwerkt was. De directeur van de school was dit ter ore gekomen en de soep mocht niet opgediend worden. Alstublieft !!!
Serveer ze dan morgen maar... was zijn reactie.
Of die soep nu per toeval gemaakt was met fond of opzettelijk, wie weet het? Waarschijnlijk het laatste.
Nog op een ander keer, het was nochtans geen vastendag, mocht de soep ook niet opgediend worden, maar toen op bevel van de chef van de keuken.
Tijdens het mixen van de soep blokkeerde de mixer plotseling. Er bleek een dweil in vastgelopen te zijn... Alle studentjes naar het plafond kijken en een “airke” fluiten...
Maar met die dweil in de soep ben ik gekomen waar ik het wou over hebben, een soep gemaakt van een steen, een kei!

Er bestaan vele versies van het verhaal maar mijn versie gaat als volgt:

Op een avond, lang geleden, komt er een uitgehongerde zwerver bellen of  kloppen, aan de deur van een schamel hutje op de heide.
Een oud vrouwtje doet open. (maar het was geen heks). De zwerver vraagt of hij wat te eten kan krijgen. De oude vrouw was van het zuinige type en klaagde dat ze niks te eten in huis had en dat ze zelf ook hongerig was.
Ja maar repliceerde de zwerver, je hebt toch wel een kei in de tuin? Ik kan daar een lekkere soep van koken.
Het vrouwtje, verwonderd, wilde wel weten hoe er van een kei soep kan gemaakt worden.
Nieuwsgierig als vrouwen zijn, vooral oude.
Dus een grote ketel met water op het vuur gezet, een dikke kei daarin en als de kei zo een tiental minuutjes gekookt had proefde de zwerver even van de soep..... Bah, zegde hij, niet slecht maar met een beetje selder en prei erbij zou het toch wel een ietsje beter smaken. Je hebt toch prei en selder, ik heb er gezien in de tuin...!
Dus prei en selder er bij gedaan. Vrouwtje nog steeds nieuwsgierig!
De zwerver proefde weer en vond dat een stuk ham (hesp, in ’t Vlaams of beter nog : heps) een nog betere smaak zou geven aan de soep...
Het vrouwtje, nu zeer nieuwsgierig geworden nam de ham van uit de schoorsteen en een dikke homp ervan verdween in de soep.
Je hebt toch nog wel ergens een paar patatten liggen zeker, vroeg de zwerver...?
Ook die nog bij de soep gedaan, nog wat peper en zout en uiteindelijk smaakte de soep zoals het hoorde...

Of ze nadien getrouwd zijn en vele kindertjes kregen, vertelt het verhaaltje verder niet.

Voor de geïnteresseerden : wel hier gaat het recept:

Een kei van 750 gram
Een kleine selder
Een dikke prei
Een hamknuist met been
Twee aardappelen
Peper en zout
Een gefruite ui mag hier zeker en vast ook bij gevoegd worden.( Dit is een persoonlijke interpretatie.)

Als je het recept zelf wil proberen na te maken en de steen die je gevonden hebt meer weegt of minder dan 750 gram, moeten de hoeveelheden uiteraard aangepast worden...

zaterdag 3 oktober 2015

Het feest met Pallieter




Tekst uit Felix Timmermans' beroemde Pallieter.

Dit stukje tekst neem ik hier over omdat we ooit, ook weer zeer lang geleden, dit menu hebben overgedaan voor een televisieopname.
Het stukje is geschreven in de typische taal van Timmermans, het Lierse dialect.


Terwijl zij, al wandelend in den hof, den pastoor afwachtten, zette Pallieter, Charlot en Marieke onder de lommerte van den kastanjeboom een lange tafel van planken op schraagkens. Ze sloegen er een blauw-geruit laken over en bedekten het met helgebloemde tellooren, glinsterende glazen, messen, lepels en vorketten.

Een dichte root van dikbestofte wijnflesschen stond donker van het eene tafel-eind naar het andere: het waren als achtereenloopende beggijntjes, en in de lommerte lagen twee groote tonnen bier.

Na een kwartierken kwam de pastoor met een lange steenen pijp den hof binnengewandeld. Ieder zette zich rond de tafel, en de schaduw temperde blauwachtig de felle kleuren hunner ruischende kleêren.

Terwijl zij over 't een en 't ander spraken, wachtend naar het eten, hielden er eenigen, van ongeduldigen eetlust, hunnen lepel reeds vast, en zagen, met hun gedachten in de keuken, over de beemden en de landen, die verlaten in de zon lagen te blinken.

Daar kwam Charlot met een groote soepterrien afgeloopen. Zij schepte in, hield haren mond geen Ave-Maria stil, en zocht voor ieder naar veel frikadellekens.

De pastoor maakte alsdan een kruisken en bad stil; de anderen deden hetzelfde en Charlot bleef rechtstaan, de oogen gesloten en de vette handen saamgevouwen op haar dikken buik.

Daardoor was er een oogenblik van aandoenlijke stilte, waarin verschietend een jong haantje van op den mesthoop kraaide.

En dan begonnen de lepels te gaan en 't gesloeber van de vele monden.

Als hunne soep ledig was, wierden er al pijpen aangestoken, en toen stond Pallieter recht en sprak: "Nichtjes en kozentjes van Charlot, ge got hier allemaal veul ete, want er is veul geried gemokt, 't moet allemol oep! En daaroem zeg 'k, dat de vier mensche die 't minste zullen ete, staaltje moete trekke, en dat den dië die het kleinste strooike trekt, mè zan bloete achterkake in een talloor rijspap moet gon zitte!"

Dat werd met luid gelach aanvaard, en toen is er gegeten en gedronken lijk op een feest van Jupiter.

Niemand wilde de schande ondergaan van het belachelijkste gedeelte zijns lichaams te vertoonen. En de vrouwen zoowel als de mannen, ze duwden het eten er in, ze deden om ter meeste; de een wilde niet onder doen voor den anderen.

En er kwam achtereenvolgens in overvloed; tarbot met aardappelen, hesp met laboonen, kalfsgebraad met aspergiën, kempische kiekens met salaad, een heel speenvarken, met bril voor de oogskes en appelsien in den snuit, honderd meters worst met witte kool enz., en er werd daarvan gegeten, opgeladen en bijgeschept dat het zweet hen op het voorhoofd stond en in hun telloor lekte. En om alles beter in hun maag te krijgen, goten zij gedurig van het koele bier en den fijnen wijn door hunne keel, zonder kloeken of slikken lijk door een stoofbuis. Het was een lawaai en rumoer, en er werd gelachen als er een wat te weinig at, en op voorhand
victorie gekraaid en gezongen.

De zon en de lommer speelden op hunne roode gezichten en glansden helder op de stijve kielen en op de zijden halsdoeken; en daarbuiten, over de haag, schitterde de lenige Nethe, en strekten zich de rustige Zondagvelden uit. Er hongen zoete liederen in de boomen, en de aangename reuk der stoverijen wandelde in het veld.

Pallieter, die nevens Marieke zijn plaatsken had gezocht, zat zich soms krom te lachen, als hij die vretende menschen zag.

Charel Verlinden, een dikke boteropkooper, liet de karbonaden met peekens en erwten passeeren. "Ik zal straks man scha wel inhale," zei hij. Maar iedereen begost hem uit te lachen, en zij verkneukelden er zich reeds in, zijn groot achterste te zien.

De buiken zwollen, en drie menschen stonden te wachten vóór 't vertrek. En nog kwam er maar gedurig aan versch eten.

Een jonge boer wierd ineens bleek, liep achter een boom, lijk een ezel balkend, braken, en kwam terug zeggende: "'t Is niks." Hij dronk zijn glas wijn leeg en ontstak een versche sigaar. Marieke gaf maar heelder stukken vleesch aan Loebas en meneer Pastoor zei: "Drinken is ook eten".
Deze voelde zich beschermd door zijne soetaan, en dronk maar den ouden zwarten wijn.

Charlot kon bijna niet meer. "Ik hem nog kans mè het staaltje te trekken!" zei ze. Dan wierd er eerst fijn gelachen, en men zong al van: "Charlot is van de brug het water in gevalle!"

Er kwamen nog looze vinken met bloemkool, enz. enz. Er was een aangename angst, en honderd zottigheden werden er verteld. Men dronk maar, en de wijn sloeg naar het hoofd. Maar toen kwam de voorlaatste schotel; jonge duiven met kriekenspijs. Stans gaf haar kind van de spijs met haren vinger, dat hij seffens zoo rood werd als een indiaantje. Een
boerenknecht bracht een tweede schotel, maar de kleine sloeg er zijn pollekens in, en de telloor viel met de duifkens in stukken op den grond; tot veler verheuging, want ze waren raar die nog apetijtelijk aten.

Stans gaf daarop heur kind een schudding en de kleine begon brand en moord te schreeuwen. Zij opende haar jak, wrong er een dikke witte borst uit, en stak ze in 't roodbekriekt gezicht van 't schreeuwend jong. De kleine sloeg er zijn vettige handekens op en begost te zuigen, 't Rood van zijn gezichtje plakte seffens op haar witte borst.

Men werd uitbundig. Pallieter, die Marieke nevens hem voelde, dat schoone kind, nam haar in de lenden, en drukte met bekriekten mond een kus op haar wang waarop een rood plaksken bleef, en seffens wierd al wat vrouw was, door het mannenvolk gekust. Het was een gelachen getier waarboven uit het kind kriaalde.

Stans vergat de borst in haar jak te steken en zij zwabberde en waggelde mee met de lachschokken van haar dik lijf. Glazen vielen kapot en flesschen rolden van de tafel.

De zon zakte.

Maar daar op een draagbert brachten twee man de groote tellooren rijspap. Van dees gerecht hong alles af. Iedereen gaf zijn laatste courage. Een magere tooverheks en Pallieter alleen aten hun schotel leeg. En toen moest er staaltje getrokken worden tusschen meneer Pastoor,  Marieke, Charel Verlinden en Charlot. Er was een ongeduldig afwachten. Iedereen stond rond Pallieter, zwijgend en zenuwachtig, en een luid gejuich brak los als de dikke boteropkooper het kleinste strooiken trok.

Maar de dikke boer ging loopen. "Pak hem vast!" riep Pallieter. "Charlot, breng de teiloor!" De boeren grepen Charel vast, die spartelde lijk een varken om los te geraken, en Charlot, kwam met de enorme schotel afgeloopen, maar zij lachte zoodanig, dat ze in haar rokken
waterde, en de schotel in honderd stukken vallen liet. Charel Verlinden danste verheugd met de armen in de lucht. Iedereen stond te lachen om breuken te krijgen, en Pallieter rolde er van op den grond.